|
|
Demo
Veiligheid en omgang met het schip
| |
Inhoud:
- Inleiding
- De gasinstallatie
- Brandveiligheid
- Reddingsvesten
- Noodsignalen
- Voortstuwingsinstallatie
- Scheepsrompen
- Begripsomschrijvingen
- De schroef
- Keren
- Noodstop
- Het vastleggen van de boot
- Afvaren
- Aanmeren
- Ankeren
- Man overboord
- Slepen
Inleiding:
Het is van belang dat het schip voldoet aan bestaande veiligheidsnormen.
Hiervoor lopen we stapsgewijs de installatie van het schip na en benoemen
de onderdelen die van belang zijn voor het examen. Los van het examen
staat de veiligheid van u en uw medewatersporters natuurlijk voorop.
De gasinstallatie:
De gasinstallatie is onderdeel van de technische installatie aan boord.
Vaak wordt butaangas en/of propaangas gebruikt aan boord. Butaangas wordt
onbruikbaar bij temperaturen lager dan +50 C. Propaangas wordt
onbruikbaar bij temperaturen lager
dan –450 C. Daarom lijkt propaangas aan te bevelen bij
gebruik in de winter. De druk in propaangasflessen is veel hoger dan de
druk in butaangasflessen. Daarom mogen butaangasflessen niet gevuld worden
met propaangas.
Zowel butaan –als propaangas zijn zwaarder dan lucht. Als deze gassen
ontsnappen zullen ze zich dus ophopen in het laagste gedeelte van de romp
of het interieur van het schip. Installeer een gaslekverklikker om te zien
of de gasdruk afneemt of wegvalt. Een lagere gasdruk kan duiden op een
gaslek.
Een gasdetector geeft een alarmsignaal bij een te hoge concentratie gas.
De detector wordt bij voorkeur in het laagstgelegen deel van het schip
gemonteerd. Butaan en propaangas zijn immers zwaarder dan lucht en zakken
naar het laagstgelegen deel van de romp. Gebruik aan boord alleen
gasapparatuur met een thermische beveiliging die de gastoevoer afsluit
zodra de waakvlam ongewild uitdooft.
Bij een onvolledige verbranding ontstaat het giftige koolmonoxide. Het is
daarom raadzaam om een ruimte te ontluchten als er gas verbrand wordt. In
een beperkte, afgesloten ruimte aan boord kan koolmonoxide al snel een
dodelijke uitwerking hebben! Zorg daarom altijd voor de toevoer van
buitenlucht bij verwarming, koken of verlichting op gas. Zorg dat de
gasfles in een gasbun (= gasdichte kist) zit en vernieuw gasslangen om de
3 jaar. Kijk daarvoor op de datum die op de gasslangen vermeld staat.
Brandveiligheid:
De brandstoftank en de brandstofleidingen mogen niet lekken en de
ontluchting van de brandstoftank moet buitenboord uitkomen. Berg jerrycans
met reservebenzine niet op in de motorruimte en bewaar doeken met
brandstofresten in een apart en afsluitbare doos. Zet een vonkvrije
afzuigventilator 5 minuten vóór en na het gebruik van de motor aan. De
vonkvrije afzuiging voert eventueel aanwezige brandbare benzinedampen in
dat geval af uit de motorruimte.
Brand kan ontstaan door samenspel van 3 zaken:
- Een brandbare stof.
- Een voldoende hoge temperatuur.
- zuurstof.
Als één van deze zaken wordt weggenomen, bestaat er geen brand meer!
|
|

|
Er bestaan verschillende soorten branden:
- A-branden; vaste stoffen branden.
- B-branden; vloeibare stoffen branden.
- C-branden; gasbranden.
- D-branden; metaalbranden.
Er zijn speciale blusmiddelen op de markt voor het doven van verschillende
soorten branden:
- Water; gebruik water alleen als blusmiddel voor A-branden (vaste
stoffen branden). Veel vloeistoffen drijven op water. Het gebruik van
water als blusmiddel bij brandende vloeistoffen kan juist zorgen voor
verspreiding van de brand.
- Bluspoeder; bluspoeder bedekt de brandbare stof zodat het geen
reactie meer kan aangaan met zuurstof. Op die manier dooft de brand
uit. Gebruik ABC bluspoeder dat geschikt is voor ABC typen branden en
brandende elektrische apparaten. Het bluspoeder geleid geen
elektriciteit. Nadeel van bluspoeder is de grote nevenschade die het
kan maken aan elektronische apparatuur.
- CO2(koolzuursneeuw) blussers zijn geschikt voor BC
brandklassen, maar ze zijn log en zwaar. Bovendien werken ze
verstikkend voor degene die ze bedient omdat CO2
blusmiddelen zuurstof verdrijft.
- FM 200 is een blusgas dat de brand dooft door een chemische reactie
via zgn. negatieve katalyse. Het is niet elektrisch geleidend en richt
maar weinig nevenschade aan. Nadeel is de beperkte verkrijgbaarheid
van het middel.
Zorg dat er minimaal 1 blusser van 2 kg aan boord is en laat deze elke 2
jaar controleren. Brandblussers moeten wettelijk zijn voorzien van een
aantal zaken:
- Merk en keurmerk.
- Brandklasse waarvoor het geschikt is.
- Gebruiksaanwijzing.
- Soort vulling en hoeveelheid vulling.
Maatregelen bij brand op het schip:
- Probeer in eerste instantie het vuur te doven met een blusser.
- Indien dit niet lukt laat dan het anker vallen en beleg het anker
via het voordek. Geef noodsignalen af.
- Zorg dat alle opvarenden een reddingsvest aan hebben en ga op het
voordek staan. De wind neemt de achterzijde van de boot mee en draait
het schip met de kop in de wind. Daarom is het voordek de meest
veilige plaats.
- Verlaat indien mogelijk het schip via bijboot of reddingsvlot. Als
deze voorzieningen niet voor handen zijn, spring het water in, blijf
bij elkaar en probeer de wal te bereiken.
Reddingsvesten:
Er moet aan boord van het schip voor iedere opvarende een reddingsvest
aanwezig zijn. Voor snelle motorboten is dit een verplichting. Een
goedwerkend reddingsvest draait de drenkeling op zijn rug en houdt
zijn hoofd boven water. Dit is belangrijk als de drenkeling het
bewustzijn verloren heeft. Het drijfvermogen van reddingsvesten wordt
aangegeven in Newton, afgekort tot ‘N’ en wordt vermeld op het
CE-keurmerk dat op ieder goedgekeurd reddingsvest aangebracht moet
zijn. Er zijn 3 typen reddingsvesten; 100 N, 150 N en 275 N
afhankelijk van het soort water waar men vaart. Zo is de 100 N slechts
beperkt veilig en is meer geschikt voor kalm binnenwater. De 275 N
draait de drenkeling binnen 5 seconden op de rug met het hoofd boven
water en wordt veelal gebruikt op open zee. Indien iemand overboord
slaat kan de drenkeling een reddingsboei toegeworpen krijgen. Deze
reddingsboeien moeten een minimale diameter aan de binnenzijde hebben
van 60 cm en zijn bij voorkeur voorzien van een felle (oranje) kleur
en reflectors.
Een joon is een drijflichaam met een lange stok en een vlaggetje, die
aan een reddingsboei bevestigd kan worden. Op die manier kan de
drenkeling makkelijk(er) teruggevonden worden.
|
|

|
Onze gratis online demo stopt hier. De tekst op de Cd-rom beslaat alle
benodigde lesstof om te slagen voor het examen. U kunt de Cd-rom bestellen
via de bestelpagina.
|
Copyright W.Slijpen
|