| |
Inhoud:
- Brughoogten
- NAP
- SIGNI en IALA-A
- Laterale markering
- Betonningsrichting
- Stroomrichting
- Drijvende markeringen
- Scheidingstonnen
- Sectorenlicht
- Lichtenlijn
- Cardinale markering
- Lichtkarakters
Brughoogten:
Op nautische kaarten worden hoogte, diepte, breedte en lengte van bruggen
en sluizen aangegeven in decimeters! Bij bruggen kan de hoogte van de brug
boven het lokale waterpeil worden aangegeven via de code: ‘boven KP’.
Dit staat voor de hoogte van de brug boven Kanaalpeil (KP). Het Kanaalpeil
is het lokale waterpeil.
De volgende codes staan op nautische kaarten bij sluizen. De getallen zijn
voorbeeldgetallen:
- D20 = Diepte van het water. In dit geval 20 dm of
2 m
- W60 = Wijdte (breedte) van de sluiskolk (midden
van de sluis). In dit geval 60 dm of 6 m.
- L300 = Lengte van de sluiskolk. In dit geval 300
dm of 30 m.
- Geh. H45 = Geheven Hoogte 45 dm: Er is een
beweegbaar gedeelte in de sluis dat in geheven toestand 45 dm hoog is.
(45 dm = 4,5 m)
NAP:
NAP is de afkorting van Normaal Amsterdams Peil. Het NAP is de basis voor
alle waterhoogtemetingen in Nederland en staat gelijk aan ‘de gemiddelde
hoogte van de zeespiegel voor de Nederlandse kust’. Het NAP is dus in
heel Nederland gelijk. Alle hoogten en diepten worden als eerste bepaald
ten opzichte van het NAP. Streefpeilen worden op nautische kaarten
weergegeven ten opzichte van het NAP.
Lokale waterschappen houden ieder een eigen waterpeil
aan dat lager of hoger kan zijn dan het NAP. Deze lokale waterpeilen staan
op nautische kaarten als kanaalpeil (KP). Met andere woorden; het
kanaalpeil staat gelijk aan het lokale streefpeil. De hoogte van bruggen
staan in kaarten aangegeven ten opzichte van het KP.
Op waterkaarten kan bijvoorbeeld staan: ‘Brughoogte H26. KP = NAP +2.’
Dat wil zeggen dat de hoogte van de brug 26 dm of 2,6 m bedraagt. Die 26
dm of 2,6 m brughoogte staat gelijk aan NAP + 2 dm. Dit is een gegeven op
de kaart en hoeft niet overeen te komen met het actuele waterpeil ter
plaatse...!
Laten we er in dit voorbeeld van uitgaan dat uw boot een kruiphoogte (=
boothoogte van waterspiegel tot hoogste punt) heeft van 24 dm of 2,4 m. Nu
bent u met uw boot bij deze brug aangekomen en wilt zekerheid dat u niet
vastloopt als u onder de brug doorvaart. Daarvoor dient u op de peilschaal
bij de brug het actuele waterniveau af te lezen.
|
|
|
| Het
actuele waterpeil ter plaatse kan bijvoorbeeld door regenval of juist door
een droge periode verschillen met de KP op de kaart. Stel dat u op de
schaalwaarde bij de brug afleest dat het werkelijke waterniveau NAP –1
bedraagt. Wat nu?
We rekenen nu terug
van de gegeven hoogte op de kaart naar het actuele waterpeil ter plekke:
van NAP +2 naar NAP –1. Dat is een verschil van 3 dm. Zie onderstaande
illustraties.
|
brughoogte op
kaart
|
actueel
waterpeil
|
|
Het
actuele waterniveau is dus 3 dm lager dan op de kaart aangegeven staat. De
doorvaarthoogte neemt dus toe. We moeten de 3 dm verschil dus optellen bij
de gegeven brughoogte van 26 dm. Dat is een eenvoudige optelsom: 26 + 3 =
29 dm of 2,9 m. Uw boot is 2,4 m hoog en kan dus met een verschil van 0,5
m onder de brug doorvaren.
Een andere rekensom met dezelfde boot: Gegeven voor een volgende brug op
uw route is nu H 25. KP = NAP + 1. De hoogte van de brug volgens de kaart,
in dit geval 25 dm, staat dus gelijk aan NAP + 1.
Eenmaal bij de brug
aangekomen, leest u op de peilschaal het lokale waterpeil: NAP + 3. Zie
onderstaande illustraties.
|
brughoogte op
kaart
|
actueel
waterpeil
|
|
Kunt
u ook onder deze brug varen met uw boot die 24 dm of 2,4 m hoog is? We
zien dat het waterniveau nu gestegen is van NAP +1 naar NAP +3. Een
verschil van 2 dm. Het waterniveau is dus 2 dm hoger geworden. Daarmee is
de hoogte van de doorvaart met 2 dm afgenomen! Dus nu moeten we het
verschil van 2 dm aftrekken van de gegeven brughoogte van 25 dm: 25 - 2 =
23 dm of 2,3 m. Uw boot heeft een kruiphoogte van 2,4 m. Dat is hoger dan
de doorvaart. U kunt daarom niet
onder de brug
doorvaren....!
SIGNI en IALA-A:
Via vaarwegmarkering in het water én op de oevers wordt vaarwater
aangegeven. Dit aangeven van ‘bevaarbaar water’ verloopt bijvoorbeeld
via betonning en bakens. Er zijn 2 markeringssystemen die van belang zijn
voor het examen. Dit zijn het IALA-A en SIGNI systeem.
- SIGNI is een afkorting van ‘Signalisation des
voies de navigation interieure’ en wordt toegepast op de
binnenwateren.
- IALA-A is een afkorting van ‘International
Association of Lighthouse Authorities’ en wordt toegepast op zee én
op de Waddenzee, Eems, Dollard en Westerschelde.
Beide systemen lopen naadloos in elkaar over. Voor het
examen VB 1 is alleen kennis van het SIGNI systeem vereist. Zowel het
SIGNI als het IALA-A kennen 2 typen vaarwater markeringen; Cardinale en
Laterale markering.
Via ‘Cardinale markering’ worden obstakels en gevaren voor de
scheepvaart in het water aangegeven, bijvoorbeeld wrakken. Verderop in het
hoofdstuk komen we uitgebreid terug op de betekenis van de kleuren en
code’s van de Cardinale markering.
|
|
Cardinale
markering
|
Via
‘Laterale markering’ wordt de loop van het vaarwater aangegeven,
bijvoorbeeld via betonning. De donkerblauwe ‘vloeiende’ pijl geeft de
stroomrichting aan.
|
|
Laterale
markering
|
Hoewel
laterale en cardinale markeringen in zowel het SIGNI als het IALA-A
systeem voorkomen, heeft de laterale markering het grootste aandeel in het
SIGNI systeem. In het IALA-A speelt cardinale markering een grotere rol.
Onze gratis online demo stopt hier. De tekst op de Cd-rom beslaat alle
benodigde lesstof om te slagen voor het examen. U kunt de Cd-rom bestellen
via de bestelpagina.
|